De siësta van een mier. Na de eerste regels van Gekkenhuizen! sla ik het boek voor even dicht. En trek me terug in het observeren de een mier. Het korrelige tegels, de naden tussen de tegels zijn door de aanhoudende regen afgedicht met verzadigd zand. Pas wanneer er gedurende enkele dagen van droogte zullen de poriën zich weer openen.
Intussen lopen de mieren ongeordend, waarschijnlijk zonder plan over de tegels. Ik besluit er een van nabij te volgen en noem hem voor het gemak Ambrosius. Het werken met namen vergemakkelijkt het overzicht. Zo heb ik onlangs mijn tuin verder in kaart gebracht en de perken namen gegeven van weinig gebruikte streeknamen zoals Boekovina, Anjou, Salland en Bessarabië.
Nog een stap verder en ze dragen de portretten van schrijvers uit die streken, alhoewel mij een Sallandse schrijver vooral niet te binnen schiet. Terug naar Ambrosius. Van Ambrosius raakt niets bekend, noch zijn leeftijd, zijn liefdesleven en zijn ambities.
Over het korrelige plateaus van de tegels zigzagt hij, maar nooit in volgen volledige trek, het is alsof hij in zijn waggelgang intermezzi inbouwt. Hij stopt even, niet zozeer om zich te verbazen over de ontelbare mogelijkheden die een paar tegels hem bieden, maar misschien om op adem te komen.
Meteen rijst de vraag: hoe ademen mieren? Ik ben nog niet zo ver opgeschoten in de lectuur van Aristoteles Historia Animalium, een weergaloos straaltje natuurobservaties, Een van de minder bekende metamorfoses in het werk van Ovidius, is de geboorte van de Myrmidoniërs. Alles is aan verandering onderhevig, alles is vergankelijk.
Ook al zou ik Ambrosius gedoopt hebben in de walnoteninkt van Sjaan, zijn sporen zouden vervliegen eerder dan de schilderijen van Pollock. Op het terras werkt een naaktslak zich naar de schaduw van een schaaltje, de voederbak van mijn poezen. Een mier keert terug op zijn schreden. Ik raak wat droge lindebloesem open en verpulver het op een tegel, er ontstaat een eenmalige figuratie die ik niet hoef vast te leggen.
Nooit geloofd in de zogenaamde écriture automatique. Het geweld en dat alles in naam van een Opperwezen. Dat moet toch wel de grootste sadist zijn van alle tijden. Het jongetje huilt, handen van omringende vrouwen poetsen hem een beetje en halen het kruid uit zijn wonden.
Ik weet weer genoeg van de wereld gezien, een diepe verontwaardiging, haast woede woelt in mij op, en gelijken wij niet allemaal op de Apollopriester Chryses, die na het conflict met een legeraanvoerder zwijgend teruggaat naar huis, langs de boorden van de luid bruisende zee.
Hij wordt niet vaak genoemd, maar in het Griekse denken figureert Xenophanes als het voorbeeld van de atheïst. Als paarden konden tekenen, dan zouden zijn hun goden afbeelden als paarden.