In het jaar van de watersnoodramp, in het jaar dat men op het spoor kwam van het DNA, en Michael Ventris en John Chadwick het lineair B als Grieks ontcijferden, in de dagen dat Mohammad Mossadeq, de progressieve premier van Iran, op last van de Sjah en met de interventie van de CIA werd afgezet en tot huisarrest veroordeeld, kreeg ik in de onderbouw -zo heette toen de brugklas- geschiedenis van meneer Akveld. Op het programma stond de Oudheid, te beginnen bij Egypte en enkele weken later in één les het Nabije Oosten. De rijken van de Sumeriërs, de Akkadiërs, de Hethieten, de Hurrieten , de Tocharen en de Elamieten werden buiten schot gehouden. Akveld, naar mij later bleek een classicus, kwam als verteller pas echt op dreef toen de Griekse wereld aan de beurt was. Zo hoorde ik voor het eerst over de schaking van Europa, over het paard van Troje, over de krankzinnige levensloop van Oedipus, over het Gulden Vlies dat door vuurspuwende draken bewaakt werd, over Procrustes, de meest bloeddorstige hotelier uit de geschiedenis. Mijn besluit stond vast, zo wilde ik ook leraar worden, een verteller met oog voor het detail. Meneer Akveld leidde ons als een gelauwerde acteur door de krochten van het labyrint tot we oog in oog stonden met de Minotaurus en keer op keer verraste hij ons met een nieuwe greep uit zijn repertoire.
Het strafst was, om bij dat labyrint te blijven, zijn verhaal over de wonderlijke wederopstanding van Glaukos, een zoon van Minos, een broertje dus van de meer bekende Ariadne. Glaukos was de muurschilderingen in het paleis van zijn vader aan het bekijken, toen plots een muis zijn aandacht trok. Hij rende achter het diertje aan, trap op, trap af tot in de provisiekelder van het paleis. Daar stonden aan de lange zijde zeven vaten met honing. Verdwaald in het duister van de gewelven viel de jongen in één van de vaten, uiterst langzaam verdween hij in de kleverige massa en op de bodem van het vat. Ik herkende zijn zelfverlies onder het spel. Zo was ik ooit achteruitlopend bij het oplaten van een vlieger terechtgekomen in een zompige groeve van brandnetels die welig tierden op de gier van de buurt. Groot alarm in het paleis, maar men zocht vergeefs. Ten einde raad werd het orakel van Delphi geraadpleegd. Meneer Akveld wees op de kaart aan welke tocht Minos over zee moest hebben afgelegd. Even kringelde hij met zijn vingers de plek aan waar Aphrodite uit het schuim van de zee zou zijn opgedoken. Zoals te verwachten werden de ouders door de priesteres met een raadsel terug naar huis gestuurd. ‘In een wei vlakbij jullie paleis is een dier geboren dat driemaal per dag van kleur verandert, eerst is het wit, dan rood en tenslotte zwart.’
Na lang dubben riepen ze de raad in van Polyidos, de koninklijke ziener. Hij liep een volle dag langs de onafzienbare kuddes van de koning en raakte onder een bloeiende moerbei in gesprek met een jonge herder. Toen hij de jongeman op de hoogte bracht van de diepe rouw in het paleis en van het raadsel uit Delphi, hoefde de jongen niet lang na te denken. Hij blies op zijn dwarsfluit en meteen kwam een lammetje op hem af. ‘Dit is mijn moerbeitje, driemaal per dag verandert mijn troetel van kleur, telkens wanneer een dikke zwerm bijen van hieruit in de richting van het paleis vliegt.’ Dit bracht Polyidos op een spoor. Hij wist van de voorraadpotten in de koninklijke kelder. Hij liet de deur van de kelder ontgrendelen en zag onder een wolk van bijen een uil die na enkele vleugelslagen telkens weer op de rand van hetzelfde vat ging zitten. Korte tijd later vond hij het lijk van de jongen op de bodem van het vat. Subiet bracht hij de koning op de hoogte van zijn ontdekking. Minos reageerde hardvochtig, als door een bloedzuchtige demon aangezogen, hij gelastte de ziener zijn zoon weer tot leven te wekken. Eerder mocht hij de kelder niet uit. De ziener raakte gewend aan de schaduwen in het duister van zijn ‘tombe.’ Na weken zag hij hoe een slang naar het dode lichaam van Glaukos kroop. In paniek trok Polyidos zijn zwaard, sloeg de slang de kop af, maar meteen verscheen er een tweede slang vanachter de vaten. Deze slang schrok en kroop terug om een tijd later met een geneeskrachtige plant in haar bek terug te keren. Ze legde de plant op de snijwond van de dode slang. Elke dag groeide de kop weer een beetje aan, tenslotte kwam er meer leven in het slangenlijf. Toen de ziener het wonder zag dat zich voor zijn ogen voltrok, besloot hij het kruid uit te proberen op het lijk van Glaukos en wonder boven wonder kwam de jongen weer tot leven. In de volle euforie van dit gebeuren beukten zij met al hun kracht op de deur van de kelder. Het was alsof het kind zijn spel hervatte toen hij de trap opliep naar de koninklijke vertrekken. Toch was de koning nog niet tevreden, hij wilde van Polyidos weten hoe hij zijn zoon weer tot leven had gewekt. Dit verzoek ging de ziener te ver, hij voelde zich beschermd door een godheid en wilde deze band niet verbreken. Hij vroeg Glaukos in zijn mond te spugen. Erkentelijk voor zijn redding deed het kind wat hem gevraagd was en verloor zo elke herinnering aan zijn wederopstanding. Polyidos nam het geheim mee in zijn graf.
Een vrij onbekend verhaal, mij fascineerden veel meer de Graiai als de meest bizarre wezens uit de verteldoos van meneer Akveld, ze waren dan wel niet meer dan een ademzucht binnen het verhaal over Perseus, dat uiteindelijk ging om het veroveren van het hoofd van Medusa. Drie gezusters die bij hun geboorte al grijs waren en verder zwaar beperkt. Ze deelden samen één oog en één tand. Hun verschijning wekte meteen een jongensachtige nieuwsgierigheid in mij op. Was het soms omdat ik in de twee grijze duiven die zondags als uit de alledaagse onzichtbaarheid ontstegen met hun kraakstem op hun gepachte plaatsen vooraan in de kerk het Kyrie zongen hun dubbelgangsters zag? Nee. Hun handicap voerde me vijf jaar terug naar het sterfbed van mijn opa, de vader van mijn moeder. Ik besefte niet eens dat hij stervende was, mijn gedachte ging eerder uit naar de hoek van de grote mannenzaal, waar een man achter een scherm lag die volgens mijn moeder blind was en doofstom. Zijn hulpeloosheid schokte mijn onnozelheid.
Bijna veertig jaar voor de klas vertellen- ‘meneer, nog een verhaaltje-’ bood mij de gelegenheid het bestaan van de drie gezusters aan te spekken met een keur van betoverende details. De weg lag vrij, Jorge Luis Borges nam hen niet op in ‘Het boek van de denkbeeldige wezens’. Hij kwam wel in de buurt met zijn lemma De Eenogigen en verwijst verder naar de Romeinse dichter Lucanus die verhaalt dat uit het bloed van Medusa alle slangen van Libië- de regio van de Graiai- geboren werden: de Apisadder, de Amfisbaena, de Ammodyte en de Basilisk, een wezen dat in tong en ogen een ongeneeslijke pest met zich droeg. Het moet mij van het hart dat ik in mijn vertelling bij de eerste lichting leerlingen te kort geschoten ben. Dat is nu eenmaal het lot van de beginnende docent(e), beducht als men is van geïdealiseerde studiewijzers en de heilige leerstof af te wijken. Gaandeweg rijpt de tijd om de strakke protocollen door de wringer van de geïmproviseerde vertelling te draaien. De docent wordt acteur en kruipt in de huid van de mythische held.
Waar te beginnen? Laat ik in navolging van Marcus Aurelius die de Mijmeringen aan zichzelf opent met een reeks paragrafen, gewijd aan zijn erflaters, het volgende opdragen ter nagedachtenis aan meneer Akveld, aan wie ik de liefde voor de mythologie en voor de Klassieke Oudheid te danken heb. Ten eerste moest ik duidelijk maken dat in de alleroudste mythen sprake is van een pre-evolutionair denken, ze beginnen keer op keer met de paring van land en zee, en vervolgens met een palet van ambigue monsters, hybride gedrochten in ongrijpbare gedaante. Ook de vertelling van Perseus en zijn confrontatie met de Graiai ligt op de breuklijn van een schokkende, chaotische oertijd en de kosmische orde van de Olympische goden.
Het verhaal begint met de angst van Akrisios, een lokale regent die van het orakel van Delphi te horen krijgt dat hij de dood zal vinden door de hand van een kleinzoon. Vanaf het moment dat hij zijn zaad vervloekt weet, wringt hij zijn geslacht in een hoornen koker, hij sluit zijn dochter Danaë samen met haar min op in een bronzen loft, met blinde muren en in het platte dak een nauwelijks zichtbare luchtkoker. Maar tegen het noodlot valt niets uit te richten. Tijdens een nacht in maart in het begin van de lente stortte de oppergod, wetend dat ook deze zoon hem van een monster uit de oertijd zal verlossen, zijn zaad in de vorm van een gouden regen langs deze opening in de schoot van Danaë. Haar min schoot wakker en trilde na van deze wonderlijke ontvangenis. Op het gebrabbel van het kind sloegen de hovelingen alarm, Akrisios nam drastische maatregelen, hij doodde eigenhandig de min op het huisaltaar van Zeus en duwde een kist met moeder en zoon de volle zee in, een in de Oudheid vaak gesignaleerde praktijk bij ongewenste kinderen. Het loopt goed af, moeder en kind worden gered door een visser, die hen na veel vijven en zessen afstaat aan zijn machtige broer, Polydektes (iemand die veel inpikt), ook een koning, hij gaat over het eilandje Seriphos. Hij wordt zoals dat heet verliefd op Danaë. Ze blijven aan het hof, maar de jongen mag niet buiten spelen, de verstandhouding verziekt, de koning wil af van zijn opgroeiende stiefzoon. De omstandigheden zitten hem mee. De koning van Pisa schrijft een dating- concours uit voor zijn paarden dresserende dochter Hippodameia, het mythische nichtje van Perseus. Iedere vrijer geeft haar een paard cadeau, Perseus staat met lege handen, maar in zijn onnozelheid belooft hij zijn stiefvader ter bevestiging van zijn viriele kwaliteiten het hoofd van Medusa, de sterfelijke van de drie Gorgonen.
Sinds deze impulsieve belofte kan hij de slaap niet vatten. Dag en nacht prakkiseert hij zich suf. De Medusa? Hoe en waar? Ambetante vragen waarmee hij zijn moeder bestookt. Op een dag loopt hij ongemakkelijk langs het strand van Psili Ammos, voorbij een rij meerpalen, een teken van visrijke gronden, en daar treft hij Diktys, zijn stiefoom, de visser die hem en zijn moeder uit de kist bevrijdde. Hij vist niet meer, tegenwoordig is hij koninklijk reactiveringscoach en doet hij wandelperformances voor bezitters van een Anatolische herder. Thuis reconstrueert hij hun onderlinge gesprekken. Deze opgewekte anarchist is op zoek naar de grenzen van zijn geheugen. Perseus neemt afscheid van Diktys en slentert verder in de branding, totdat hij hartelijk wordt begroet door drie meisjes. Zij bieden hem een plekje aan op hun badlaken, waarop Poseidon omringd door zeenimfen is geborduurd. Beeldschoon zijn de drie Neïden naast hem, uitdagend in de kanariegele bikini om hun wiegende heupen, slank als een steltwants en uiterst vrijpostig. Aanvankelijk moeten ze lachen om zijn waanzinnig plan, zijn duistere drijfveer, maar stilaan laait de hartstocht op, in een staat van hilarische muiterij beproeven zij zijn maagdelijkheid met een gretigheid die volgens een fragment uit een mythologisch compendium uit de vierde eeuw, de wolken boven het eiland uiteenscheurde. Voldaan wandelen ze samen bij eb naar het strandpaviljoen, dat hoog staat aangeschreven bij de jongelui uit naburige eilanden. Op de binnenplaats staat een gouden regen in bloei. Uit de voorraad van gevonden voorwerpen vissen de meisjes een stel vleugelschoenen op, een helm van hondenleer die de drager onzichtbaar maakt, ooit behorende tot de garderobe van de doodsgod Hades, een waterdichte weitas en een soort sikkel, waarmee de vissers van het eiland zich bedienen. De oudste van de Neïden toont hem een mechaniekje in een van de vleugelschoenen, dat hem in staat zal stellen een koers te bepalen door nog nooit verkende sferen. Het kompas wijst in de richting van de Libische kust. Hij neemt node afscheid van deze meisjes, bedankt hen voor hun uitdagende ontvangst, klakt de hakken van de vleugelschoenen tegen elkaar en stijgt op. Hij vliegt over gekartelde bergtoppen, over de woelige zee tussen Europa en Afrika, tot voorbij de woestijn van Cyrene om tenslotte te landen op de Libische kust. Daar kiest hij uit een stapmolen van kamelen een jong rijdier uit. De weg voert hem naar het einde van de wereld, daar waar de woestijn overgaat in het niets. Hij nadert zijn bestemming. Een wolk van gieren wijst hem de weg. Plots ziet hij beweging aan de horizon, een onduidelijk wezen in het zwart geeft iets door aan een gelijkaardig wezen en verdwijnt daarna uit het zicht. Hij herinnert zich nu dat de Neïden spraken van drie vrouwen die een inlichtingendienst beheerden, over de verblijfplaats van alle monsters die uit water of uit de aarde geboren waren. Ze zouden samen één tand en één oog delen. Op een potscherf hadden ze de namen van de vrouwen gekrast: Enyo het struise manwijf, Pemphredo de dolle wesp en Deino de verbijstering, een draak van een vrouw. Lang voor hun geboorte had een oude Harpij, verjaagd van de visschotels van hun ouders, voorspeld dat zij van boven afstotend oud zouden zijn met een havikachtig profiel, en vanaf hun middel eeuwig jong en geil. Hun hele leven moesten ze samen één oog en éen tand delen, een tand die elk jaargetijde zou verkleuren. Maar welke taal spreken deze vrouwen op de rand van de wereld? Want ook al hadden zij samen slechts één tand, dat betekende nog niet dat de klankkast van hun verhemelte geen geluiden resoneerde. Aan het hof van zijn stiefvader en met de meisjes op het strand sprak hij een dialect van het proto-lineair B. Hier stuiten we trouwens op een eeuwigdurend theologisch vraagstuk: hebben goden en helden een eigen taal met een dagelijks aangepaste woordenschat, leren zij moeilijke woorden, wat zijn de regels van hun syntaxis of sporen zij als linguïstische kameleons met de gebedentaal van hun bedenkers?
Perseus stapt af bij een wadi waar de kameel zijn dorst kan lessen. Het is snikheet. Hij zet zijn helm af, een dwarrelwind speelt door zijn haren. De gieren gaan hels tekeer. In de verte ziet hij een iconisch huis, het lijkt een vierkant fort met een plat dak, een behuizing van opperste eenvoud. Er om heen stapels hout, een solitaire linde moet voor verkoeling zorgen. Een mottige ezel loopt traag in een tredmolen graan te malen. Hij is nu zo dicht genaderd dat één van de vrouwen hem kan ruiken. Hun reuk is namelijk al vanaf hun geboorte fenomenaal ontwikkeld. Al wat ooit in al die eeuwen was opgestegen tot aan hun atmosfeer, was gecodeerd in de behaarde spelonken van hun neus. Meteen begint zij te krijsen met het schuim op de lippen, onraad en schunnige woorden, volgens de bevindingen van moderne orthogenetici begrijpelijk. Als dochters van een onrustig water bevat hun brein nog niet de helft van het aantal neuronen van de homo sapiens. Men schrijft deze wezens dan ook een gehavend hersencircuit toe dat onlustgevoelens op een ondoorgrondelijke wijze orkestreert, met het gevolg dat ze vermoedelijk mede door de verpletterende eenzaamheid en een eeuwige doelloosheid ten prooi gevallen zijn aan een hoge graad van anhedonie, ze hebben werkelijk nergens zin in. Dit wordt enigszins tegengesproken door een verrassend aangelegde tuin met tijm, dille en kamille, koriander en rabarber, klimrozen en majestueuze distels. Het mag duidelijk zijn dat dit alles bevloeid wordt door een onderaardse qanat. Aan de zijkant van het huis staat een reuzenberenklauw in volle bloei.
Op het gegil komen de andere vrouwen uit hun veste, de een met het oog, de ander met de tand. In hun lopen doen ze hem denken aan zwarte zwanen, de vogels van de dood. In rechte lijn afstammend van het Vasteland, de Zee en een stroomgodin hadden zij nog nooit een man gezien, wat heet, ze wisten niet eens van het bestaan van die soort, misschien lag hier wel de bron van hun grenzeloze lusteloosheid. Ze gaan om hem heen staan, van elkaar niet te onderscheiden, met een ingevallen mond, een gezicht getaand door woestijnstormen, in het haar sporen van een grijze zilverspoeling, een vleugje frivoliteit of gedurfde ijdelheid in de krullen van hun wimpers, de schubbige huid van hun armen verraadt hun aquatische afkomst, met hun blote onderlijf vragen zij onwennig aandacht. Plots begint de vrouw die het oog heeft in een uitgestorven taal uit Anatolië voor de anderen te beschrijven met wat voor een wezen ze te maken hebben. Ze hebben nog nooit een jongeman gezien. De anderen worden ongeduldig en vragen met klem om het alziende oog. Met een verbluffende handigheid haalt de vrouw die Pemphredo van de potscherf blijkt te zijn het oog uit de linker oogkas. Haar oogkas sluit zich af met een rozerood vlies. Intussen maakt het vetweefsel in de oogkas van Enyo zich warm om het oog op te nemen, iedere draagster maakt haar eigen diafragma aan het zicht van een slechtvalk. Door de herhaaldelijke uitwisseling van het oog was vooral de derde hersenzenuw, verantwoordelijk voor de aansturing van de diverse oogspieren, sterk ontwikkeld. Ondanks hun hoge leeftijd functioneerden de spiertjes van het overhellende ooglid nog altijd naar behoren, niemand leed volgens de encyclopedisten aan een kwellende ptosis. Ieder van hen koos uit ervaring voor de linker- of de rechter oogkas. Ze lijken zich verzoend te hebben met de beperkingen die het mythologische lot hen heeft toebedeeld. Zij kunnen niet huilen, zelfs niet wanneer een aangewaaide zandkorrel in hun oogkassen krast. In hun tranenloosheid zullen later Byzantijnse artsen de aard van de weerwolf herkennen.
Even lijkt hun saamhorigheid, het schaduwspel van hun lijven, te breken. Er hangt iets in de lucht. Wat was het lang geleden dat er iets gebeurde, het maakte gulzig naar de dingen die gingen komen. Perseus staat perplex en vraagt zich af hoe hij de bedoeling van zijn bezoek kan aankaarten. Wanneer hij zijn keel schraapt, schorten zij hun versleten chiton omhoog en beginnen met de vlakke hand op de binnenkant van hun bovenbenen te kletsen. Dit gebaar is hem een raadsel. Een verleidingsdans? De muziek van ingevroren hormonen? Het blijkt een poging om hem langer bij zich te houden. Hier hapert de tijd.
Op de tast halen zij aanligbedden uit het fort en kussens, opgevuld met saffraan. De deur staat open en biedt de gast een blik op het interieur, een verveloos raam, afgedekt met een vel papyrus, waarschijnlijk afkomstig uit de nabijgelegen wadi, aan een houten rek hangen kleren van een onbestemde kleur. Ze wenken hem aan tafel, het tafelblad is gemonteerd op een olmentronk, op tafel een schaal appelwijn, olijven, een bakje knalrode rabarbermoes, schaaltjes met Hittitische hummus, verkruimeld brood, gemberbier, dadels en bonen, platte silphiumblaadjes, de oogst van een onbekende tuin, kaas, via een tussenhandel uit de grot van de Cycloop en speciaal voor Deino een papje met zaden van de reuzenberenklauw als hoofdzalf tegen haar aanvallen van epilepsie. Uit de weitas haalt Perseus een gele roos tevoorschijn, een geschenk van de nimfen van Seriphos. De tand gaat besmeurd van mond tot mond. De sfeer wordt zelfs vrolijk, het zwerfoog fonkelt vandaag van wellust. Deino verjaagt een hongerige buizerd van tafel. Met een minzame terughoudendheid schuiven ze de held pikante hapjes toe. Zelf kauwen ze geoefend wat ze van de tafel nemen. De tandeloosheid heeft hun kaken versteend tot minuscule molenstenen, elke maaltijd bilt de plooien van het bot. Het voortdurend kauwen heeft van hun verhemelte een weekdier gemaakt, een delta van speekselklieren. Ze rekken hun woorden op en drijven de spot met hun zussen, de Gorgonen, die ze in het diepst van hun hart haten. ‘Ze waren vroeger schoonheden, met het lijf van een turnster, ze waanden zich knapper dan Athena. De wraak kon niet uitblijven. Afgrijselijk uitpuilende ogen, die razendsnel in alle richtingen draaien, uit de mond vol slagtanden hangt een kwijlende tong en vleugels op hun rug. Wat in hun blikveld beweegt, een plant, een dier of een andere wezen verandert meteen in steen.’ Ze stoten elkaar aan. Ze schijnen hem te dulden met een minzame terughoudendheid.
Nu ziet Perseus de kans om de reden van zijn bezoek te zeggen, maar ze lachen om zijn vraag, de sfeer verandert op slag. Eerst een beklemmend onbehagen, zeg maar verbittering, dan een regen van keelklanken, hun taal krimpt in. Hun adamsappel klokt van woede en venijn. ‘Ze gaan je opvreten met huid en haar, er blijft geen bot van je over.’ Het doorgeven van oog en tand stagneert. Er volgt een ijzingwekkend brullen en tieren. Plots houden zij op met dit misbaar, woest spreiden zij hun benen open. Deino haalt de tand uit haar mond en ontcijfert in de wortelharen ervan de geheimen van haar familie, zo lang onleesbaar gebleven. Het begint Perseus op de zenuwen te werken. Hij probeert de situatie te redden, door te vertellen over zijn wonderlijke geboorte, dat hij nog altijd niet weet wie zijn vader is en verklankt tenslotte als een prelude van Simonides’ gedicht de klaagzang van zijn moeder in de dobberende kist. Hij spreekt vol lof over zijn nichtje Hippodameia, over haar liefde voor paarden om de aandacht van de vrouwen vast te houden, zolang totdat hij op een welgekozen moment het doorgeven van het oog en de tand onderschept en de vrouwen dwingt de schuilplaats van de Medusa aan te wijzen. Na veel gestotter en gesnik geven zij hun geheimen prijs. Perseus haalt diep adem en slaat onmiddellijk de verhoopte info op in het mechaniekje in zijn linker vleugelschoen. Briesend van woede smijten zij de spijzen van de tafel, bergen de meubels op en vijlen hun nagels om zijn gezicht open te krassen. Wanneer ze doorhebben dat hij is vertrokken, slingeren ze gore taal in de lucht.
In de epiloog wordt verteld dat de Graiai na het welslagen van Perseus’ onderneming hun oog en tand door bemiddeling van Hermes hebben teruggekregen. Volgens een afwijkende lezing liet Perseus ze op zijn vlucht door de lucht op een eilandje in het Tritonmeer vallen. In het zuiden van het huidige Tunesië beginnen nieuwe verhalen over één oog en één tand.