Sierlijke aansnijdingen van mijn dagen -14

Het geheugen is de toekomst van het verleden (Paul Valéry)

Spiegelbeeld

Het kind staat voor de spiegel, het glas
wil maar niet tonen hoe zij nog kort tevoren was.
Teveel al heeft de chemo in haar aangericht,
verweesd vraagt zij om een gaver aangezicht.
Zij vermoedt in dat niemandsland verschanst,
in het craquelé, de gratie van zichzelf verschanst.

Zij draait het hoofd om naar een wending,
de spiegel blijft volharden in zijn kwelling.
Zij gaat zo nader dat het wederwoord beslaat
en het verraad van het glas onbewezen laat.

Weer door zijn trouweloos gezicht bedrogen
dekt zij voor dit liefdeloos spel beschaamd de ogen.
Zo murw van zichzelf gekeken neemt zij een vlucht,
samen met Nils Hilgersson hoog door de lucht.

Een getik op de glazen sluisdeur van de beenmerg box. Het is Maureen. Ze wenkt mij. ‘We gaan het beenmerg met de stamcellen ontdooien. Het is vannacht aangekomen.’ Ik volg haar naar een kleine kamer. Een spanveer sluit de deur met een plofje dicht. Aan de wand een poster van een Loire-kasteel. De jonge laborante geeft mij een hand en stelt zich voor. Ze heet Louise. Ze trekt gele gummihandschoenen aan en buigt door de knieën.

Op de vloer staat een aluminium kistje, voor de helft gevuld met blokken ijs. Daartussen drijft het beenmerg in een plastic zakje. Opening van een beklemmend ritueel. Met een snelle beweging diept Louise het zakje open en wijst mij op de stickers met codes die kriskras op het omhulsel zijn aangebracht. Ter controle leest zij naam en patiëntennummer op. Ik vind mijn stem en zeg dat het klopt. Nu plaatst zij het kistje in de wasbak en laat de heetwaterkraan lopen.

‘Goh, wat ben jij lekker bruin!’, lacht Maureen. ‘Net terug van Thailand, twee weken was veel te kort. En jij? Plannen?’ ‘Ik ga weer wandelen, in de Pyreneeën, deze keer alleen met een collegaatje van de neo.’ Louise keert het zakje om. ‘Maar hoe was Bangkok?’

Maureen trommelt met haar vingers op het aanrecht. ‘Pittig, mag ik wel zeggen. Tempels en groen gouden Boeddha’s. En dan die Chao Phraya. Moet je een keer meegemaakt hebben. Smerige koffiehuizen, fel verlichte bordelen, het stikt er van de travestieten, de mooiste vogeltjes in kooien, krabben, patserige westerlingen verbrand als kreeften, rode poon, keizersvissen, en dan die uitpuilende visoogjes. Het meest zijn mij de kleuren vanuit gestalde kruiden en specerijen bijgebleven en de kwabbige bovenarmen van visserswijven, rood van het vissenbloed.’

‘Vies dus?’

Ondertussen krijgt het mengsel van bloed en merg de kleuren van een parelmoervlinder. En in die vloeistof waarin alle verdere dagen en maanden en jaren van mijn dochter zijn uitgerekend zie ik langs de laatste brokjes ijs fabelachtige vormen voorbijtrekken als van adelaarsvarens waarvan de stengels zijn oversneden, slierten vocht die in de breking van het zwakke licht mij doen denken aan de initialen van een verlucht manuscript, maar meer nog aan de olievlekken die een garage in mijn geboortedorp loosde op een sloot. Mijn gedachten dwalen af naar toen ik zo oud was als zij nu. Met mijn vriendjes liet ik voor een wedstrijdje platte blikjes afdrijven op de stroming van de beek.

Ieder had zijn eigen merk, Erdal, Brasso, Ca Va Seul. Honderden meters liepen we gelijk op met ons drijvende fiche. Waar het verval wat afnam, waren we behendig genoeg om, in weerwil van het struikgewas en de glibberige oever, het blikje met een stok weer vlot te trekken. Al naargelang de sterkte van de stroming, schoven we het eindpunt op, het verst tot waar de beek wegdook onder de zandweg waar het andere land begon.

Na een kwartier schept Louise haar vlakke hand onder het zakje en legt het op het aanrecht. Het autologe broed voor haar nieuwe bloed. Met een brandgang tussen tong en ogen kijk ik toe, vrezend met één onwaardige vraag de speciale sfeer te schenden. De vraag wat het bombardement van de cytostatica de afgelopen dagen heeft aangericht. Zijn er onnaspeurbaar nog resten van het verziekte merg achtergebleven?

In hoeverre zijn de echo’s van afstoten, vertragen en vervormen weggefilterd? Want elk lichaam heeft zo zijn geheimen. In de Oudheid hadden geografen de neiging de landen waarvan ze weinig wisten naar de randen van hun kaarten te verbannen. In de kantlijn schreven ze dan: ‘Wat verderop ligt zijn zandige kusten, geen water en gevaarlijk door de wilde dieren, of ’skytische’ ijsvlakte, bevroren zee.’ Speels slaat Louise het vocht af en schroeft de ventielen van het zakje aan. ‘Dat moet het dan worden,’ zegt Maureen bemoedigend droog, ‘er staat een half uur voor het inlopen.’

Ik volg haar, licht opgewonden. In de sluis trekken we gele voorschoten aan en beschermend schoeisel. Alles vindt zijn oorsprong in het merg volgens Plato. Want in het merg liggen de levensbanden waarmee de ziel verknoopt is met het lichaam. Daar, in dat merg, heeft het sterfelijk geslacht zijn wortels. Met een mengsel van verwondering en argwaan in haar holle ogen volgt het kind het beenmerg dat op een beproefd schema naar de diepste sedimenten van haar lijfje vloeit.

De ene druppel stuwt de andere voort. Samen sijpelen ze naar onzichtbare knooppunten, naar de poreuze holtes van haar botten om de som van al haar geleden dagen uit te wissen. Ondertussen daalde een voorzomerse landerigheid neer in de populieren rond het ziekenhuis.

Ik neem plaats in een stoel aan het raam en vouw de krant open. Op de pagina buitenland een schokkende foto. In de Bosnische stad Brcko schiet een Servische vrijwilliger zijn mitrailleur leeg op een man die gewond vierentwintig uur aan zijn lot is overgelaten. Zijn hoofd is door de schok weggeschoven tegen de boordstenen van de markt. Een poel van braaksel, van borrelend slijm, vertrapt fruit en vissenkoppen. In wrede maagdelijkheid trekt het bloed uit de hoofdwond als een zwarte haarvlecht van een wraakgodin over het korrelige plaveisel.

In dit magma van haat en achterdocht, van Prometheïsche waan en opgekookte boosaardigheid, zo lees ik verder, weet een moeder met een dochtertje van vier na de goedertieren hoofdknik van een brugbewaker sprintend ondanks de hoge hakkende overkant te bereiken.

Even later werd de brug opgeblazen. Waar komen zij terecht? Ik leg de krant neer. In het infuus rest nog een vingerhoedje vocht. Even later verschijnt Maureen. Ze zet een dienblad met glazen thee en appelsap op het nachtkastje en verijdelt met een lichte vingertik tegen de infuusslang een dreigende stagnatie. Over mijn kind en het bed kijk ik de gang in.

Daar staat Wendy, dun en nietig uit een wereld vol raadsels. Ze kruipt zo dicht mogelijk naar het glas, ze verstopt zich als het ware in haar verbeende lijfje om zo te ontsnappen aan het wagentje dat haar zo aanstonds wegrijdt naar een radiologische tunnel in de catacomben van het gebouw. Ze zwaait, haar armpje als een door windstilte uitlopende gebedsmolen.

(uit mijn: “Ik zal altijd meisje heten”-onuitgegeven)

Vijfentwintig jaar later zie ik een andere, uitbundige Lidewij. Zij zingt en swingt en speelt gitaar op een podium van overnaadse planken ergens in Schaarbeek. Samen met haar buurtgenoten viert zij de afsluiting van een project.

Een jaar lang fotografeerde zij voor het programma Iedereen beroemde mensen uit haar straat. Gewapend met camera op statief kronkelde zij door nauwe trappenhuizen, deuren gingen voor haar open, overtuigd als ze was dat ze niet teveel was, maar welkom, zij pelde families in hun woonvertrekken als waren het noten.

Als toeschouwer voelde je de zwaartekracht die de straat, de bewoners, hun gebaren en interieurs tot één leefbare wereld verbindt. Het leven in de lange straat leek door haar tussenkomst een verrukking, een buitenkans.

Haast zou je tot het inzicht komen dat xenofobie een illusie is. Haar album is van goud op snee. Om lief te hebben moet je beminnelijk zijn. Sprakeloos van bewondering heb ik haar in mijn oude vaderhart geadopteerd.

Henk Simons, 4 juni 2016