Bianca

Bianca

 

Hij is van negentien veertien ontdekt haar

kinderziel in hymnisch fijngevoelen. Hier

leest het voeteneind als opsporingsbericht.

Ze is van Wessem, loopt één maand stage.

 

Men ziet meteen de loopgraven afgekant met

vluchtig hout, een weggeschoten neus of mond,

modderbloed en veel  later in verlaten straten

stramme kreupelgangers om een aalmoes gaan.

 

Dook Bovend ’Eerdt weet niet waar hij is,

 in het brokaat van al die jaren zijn bepaalde

weefsels afgevezeld, in het voorhoofd gegroefd

geploegde grond, bestanddeel van een leven.

 

In het volrijm van haar wit omrande armen

 kantelt hij van tafel terug naar bed, roerloos,

in het tegenlicht een zonderbaar wiegelied.  

 

Bianca laat een kettinkje door haar vingers

glijden, ze denkt aan Dijkzigt, dat lijkt haar tof,

de grote stad, dat brede water.

 

(In het St.Jansgasthuis, Weert)