Eros en Thanatos in Weert
Vrienden kwamen in een balorige bui tot het plan om de tweelingzussen Fokkens, handelsnaam de Ouwehoeren, naar Weert te halen. Afgelopen zondag, 2 november, was het zo ver. Mij was, als emeritus stadsdichter van Weert, gevraagd om, hoewel geen ervaringsdeskundige, van een repeterende wip een literair hoogstandje te maken. Ik werd door de dames in De Sluis allerhartelijkst ontvangen, met het gevolg dat ik tot in lengte van dagen op het Facebook van Bruna in Weert sta ingeklemd tussen twee leeftijdgenoten die andere levenssporen dan ik getrokken hebben. De opkomst was buiten verwachting groot, gemiddelde leeftijd om en nabij de vijftig, meer vrouwen dan mannen. In elk geval reden genoeg voor Bruna Weert om de dames, gepokt en gemazeld om zich te verkopen, voor een sessie in de feestmaand te strikken. De stukjes die zij voorlazen uit hun groeiende oeuvre (3 titels) staan bol van de anekdotiek, van dialogen met hooguit vijf woorden. Eén ding heb ik wel geleerd: de uitdrukking Uit het leven stappen klinkt in het jargon van De Wallen minder drastisch dan het gangbare eufemisme.
In mijn gedicht Achter de ramen (zie website, red.) was ik even de Martialis van Vrakker (Vrakker is de oude naam van de buurtschap waar al bijna veertig jaar mijn huis en (h)aard ligt). Leerlingen onder jullie zullen zich nog vaag herinneren hoe ik de metriek van een hexameter met boogjes en streepjes trachtte uit te leggen. In de cadans van: Geef mij mijn hoed en mijn jas want ik ga me bedrinken. Om daarna over te gaan tot een korte tekst van Martialis, waarvan de woorden in eerste instantie waren als fotonegatieven in een ontwikkelbak. Langzaam kregen we het pikante beeld boven. Ik neem aan dat mijn gedicht minder verbloemend is. Het is een passende aanvulling op mijn soms hilarische leporello Eros en Thanatos in Weert dat ik in het kader van WOORDWOUD afgelopen zomer als een antieke boekrol presenteerde.
Over Thanatos gesproken. Een dag eerder stond ik aan het graf van mijn dochter en las het gedicht Allerzielen dat ik precies een jaar geleden schreef. (Zie bijlage). Eerder had ik in de mond van Carine, mijn laatste maatje, als koorlied in een monoloog het volgende gelegd:
Je stem reikt diep, zij tornt aan de voering
van mijn onbehagen. In mijn glibberige
dwaaltuin wil je mij nader komen met
gewone gebaren, in liefde gesteeld.
Een hartkramp kruipt morrend nog
en ontwend uit de sponning van mijn
opgelegde ballingschap en gewogen
bezwaren. Mijn borsten knoppen. Er
is iets gaande, omhelzing lijkt nog ver.
( in statu crescendi)
De dag na de Ouwehoeren was ik door een staaroperatie zelf een Cycloop. Het was een hele toer om eenogig bij het kantelen van de theepot de juiste hoek te vinden om maar te zwijgen van het openplooien van het ophanglusje van een theedoek in het half duister van de eenzaamheid. Overigens werd mij nu duidelijk waarom de echte Cycloop zo weinig trefzeker was toen Niemand zich uit de voeten maakte. Het zou natuurlijk ook narratieve consequenties hebben. Die dot pleisters voor mijn oog wierp paradoxaal nieuw licht op de figuur van Polyphemus, in het Weerts zouden ze hem een moelmaker noemen. Hij is het prototype van de borderliner en het contrapunt van de monnik die op een eilandje voor de kust van Wales de eventuele vlekken op zijn ziel tracht weg te spoelen met het bruisen van de golven. Ik heb de indruk dat Cyclopia metaforisch van atoleiland uitgroeit tot een heilloos en onherbergzaam continent.
Mijn zicht is nu uitstekend, als noodoplossing tot de eerste controle maakte een leesbrilletje van de Hema voor vijf euro het mogelijk deze tekst te schrijven
Blijf humaan en trouw aan jezelf.
Vriendelijke groeten,
Henk Simons
9 november 2014
Allerzielen
Voor Lidewij (1983-1992)
Mag het kruipend gewas nog fris en vochtig
van de ochtenddauw jouw alles zijn, jouw
niets, kind, dat in de schaduw van steile bomen
onopgemerkt verleden wordt.
Vergeef mijn aarzelende gang en weet
dat je kalender, onkundig van hoe lege
schelpen je naam nog dragen, gaten
in mijn dagen brandt.
Ik sta hier halfhartig en in huiver als
een uitsnijding tegen dit eentonig licht
en kan volstrekt niet zeggen waar ik je
het meest verlies.
Bij gebrek aan woorden, die niet van vroeger
spreken, verleg ik een witte kiezelsteen en
geef je bloemen duldend water, zie toe hoe
een kruisspin in samenspraak met het
jaargetij op zijn Lakens te werk gaat en
ongevraagd met een kanten draad
de onmetelijke stilte hecht tussen
jou en mij
Uit: KINDERTOTENLIEDER